In 2023 is mijn boek over het koloniale verleden van de Universiteit van Utrecht gepubliceerd. Het boek was een resultaat van jarenlang werken in de ‘universitaire ontwikkelingssamenwerking’; de ‘Ander’ helpen om verder te ‘ontwikkelen’ (want hij/zij was onderontwikkeld of primitief)! In 2025 kwam er een Engelse vertaling. Allebei open access. Ik besloot om een boek te gaan schrijven over de ‘Olie-faculteit’, die vreemde, conservatieve opleiding voor ambtenaren in Indië als tegenhanger tegenover het liberale Leiden.
Ik heb inmiddels besloten om toch een andere route te gaan. Onder andere door het boek van Marens Engelhard over de ‘Javaanse Psyche’, door mijn eigen interesse in de dokter, anatoom en eerste antropoloog in Utrecht, J.H.F. Kohlbrugge, en het anatomisch-antropologisch onderzoek naar schedels en skeletten in de jaren ‘20 in Utrecht onder leiding van prof. A.J.P. van den Broek, kom ik in een ander veld. Ik maakte al kennis met Cornelis Winkler, de eerste hoogleraar psychiatrie in Utrecht. Hij had samen met collega Pekelharing en de latere Nobelprijswinnaar Eykman op verzoek van de Nederlandse (koloniale) overheid enige tijd in Indië onderzoek gedaan naar de oorzaken van Beriberi.
Winkler was ook enige tijd voorzitter van de Nederlandsche Anthropologische Vereniging. Hij was actief betrokken bij de organisatie van het crimineel-anthropologisch congres dat in 1901 in Amsterdam werds gehouden. Hij heeft in Nederlandse gevangenissen ook onderzoek gedaan in de traditie van de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso (1835-1909), de grote man van de Italiaanse (biologische) school in de criminologie. Lombroso sprak over de ‘delinquente nato’, de geboren misdadiger. Winkler kende Lombroso persoonlijk. Winkler heeft uiteindelijk wel afstand genomen van het denken van Lombroso. Maar voor Winkler was het duidelijk: psychische defecten zijn alleen maar terug te voeren op hersen-defecten. In 1885 sprak hij de intree-rede uit in Utrecht: De plaats der psychopathologie als hersen-pathologie in midden der klinische wetenschappen. In zijn opvattingen (o.a. over hersenarbeid van de vrouw) scheerde hij langs de afgrond van de eugenetica. In 1925 treedt Winkler af.
Veertig jaar later, in 1965 promoveert Wouter Buikhuisen in Utrecht op een dissertatie ‘Achtergronden van nozemgedrag’. Buikhuisen wordt berucht of misschien een heel klein beetje beroemd om zijn concept van een bio-sociale criminologie. Hij gaf een centrale plek aan het functioneren van de amygdala. Buikhuisen wordt met name aangevallen door de columnist Piet Grijs in Vrij Nederland.
Er is wel eens gesuggereerd dat Buikhuisen zijn tijd te ver vooruit was. Dat is maar zeer de vraag gelet op bij voorbeeld zijn ‘voorganger’ Cornelis Winkler in Utrecht. Er was mogelijkerwijs eerder sprake van een wetenschappelijk vertoog dat in wezen een oude lijn van denken weer opnam maar die in de ‘cultuur’ van het tijdsgewricht van de jaren 70 niet geaccepteerd werd in delen van de samenleving.
Kortom, ‘Van Winkler naar Buikhuisen’. Tijd voor een nieuw boek. Zal ik dan maar een ‘intellectuele biografie’ over Buikhuisen gaan schrijven?